Sow for yourself righteousness, reap the fruit of steadfast love; break up your fallow ground, for it is the time to seek the Lord, that He may come and rain salvation upon you (Hosea 10:12).

vrijdag 9 december 2011

Cannot keep You

Mooie muziek. Prachtige tekst. Gungor, van het album 'Beatiful Things'.



Cannot keep You


They tried to keep you in a tent
They could not keep you in a temple
Or any of their idols, to see and understand

We cannot keep you in a church
We cannot keep you in a Bible
Or it's just another idol to box you in

They could not keep you in their walls
We cannot keep you in ours either
For you are so much greater

Who is like the Lord
The maker of the heavens
Who dwells with the poor
He lifts them from the ashes
And He seats them among princess
Who is like the Lord

We've tried to keep you in our tents
We've tried to keep you in our temples
We've worshiped all our idols
We want all that to end

So we will find you in the streets
And we will find you in the prisons
And even in our Bibles and churches

Who is like the Lord
The maker of the heavens
Who dwells with the poor
He lifts them from the ashes
And He seats them among princes
Who is like the Lord

We cannot contain, cannot contain
The glory of your name
We cannot contain, cannot contain
The glory of your name

We cannot contain, cannot contain
The glory of your name

Who is like the Lord
You took me from the ashes
And you healed me from my blindness
Who is like the Lord

Wonderful brother moon







woensdag 7 december 2011

Worstelen met de elementen

Zo, lief dagboek, dat was lekker, mag ik wel zeggen. Zo'n bui op je kop, klein beetje regen, steeds heftiger regen, felle, harde hagel. Tegen de wind in tornen, je fiets recht proberen te houden, je sokken nat voelen worden, happen naar je adem, bliksem boven je hoofd. Toch maar de kapuchon op van de regenjas, alle stoerheid verdwenen. Meter voor meter vorderen. Inspannend. Warm worden. Kop naar voren. Gaan.

Echt lekker. Worstelen met de elementen. Even los van je fundament, je zekerheden. Weg alle plaatjes die de zon in het licht zet voor je, alle mooie zonsopgangen, alle meewindtochtjes. Gewoon aardedonker, verlichte hemel door lichtflitsen, rollende donder, kletterende hagel, stromende regen, heftige wind. Ondergelopen straten.

Schrijf ik nu, omdat het na een half uur hier binnen lekker droog en warm is.

Maar toch ... ik ervaar iets van de worsteling van Jakob aan de Jabbok.

O, wacht, dat was meer geestelijk ... even wachten. Ga ik nog even over doordenken. Kom ik nog even terug, op een later moment. Als mijn gedachten uitgekristalliseerd zijn, mijn gedachten wat meer op een rij, mijn gevoelens onder controle.

Als de wind is gaan liggen.

zondag 4 december 2011

Ontluistering

De mens is er sterk op gericht, zich mooier voor te doen, dan hij is. Een masker op, naar anderen toe. Een beeld dat niet strookt met de werkelijkheid. Een deftig pak, mooie kleren, opgestoken haar, getrimde baarden. Een dikke laag make-up. Tot aan plastische chirurgie toe.

We gaan daarin soms zo ver, dat we een rol gaan spelen.

Maar er komt altijd een dag, dat we het masker moeten laten vallen. Een moment dat iemand erdoorheen prikt. Dat we alle lagen los moeten laten. Kaal en naakt staan we te kijk. En wie zijn we dan, ten diepste? Wat is ons echte ik? Ontdaan van alle franje, alle bagage, alle uiterlijkheden, alle opsmuk? Niet het beeld is bepalend, niet het beeld dat anderen van ons hebben, zelfs niet het beeld dat je van jezelf hebt.

Het is goed om voor jezelf regelmatig momenten te zoeken om je dit eens af te vragen. Wie ben je, in relatie tot andere mensen, in relatie tot God, maar ook helemaal alleen? Ben je jezelf, en wat betekent dat dan? Probeer je te voldoen aan andermans verwachtingen? Hol je achter allerlei opgelegde, aangepraatte of jezelf opgelegde verplichtingen aan?

Er zijn ook momenten dat je hier zomaar onverwacht mee wordt geconfronteerd, dat ziekte of dood van iemand in je naaste familiekring je bepaalt bij de eindigheid en kwetsbaarheid van het leven. Dat de vraag op je af komt, wat die iemand nu precies voor jou heeft betekend in zijn of haar leven. Wat zijn eigen leven precies heeft bepaald, gemaakt tot wat het nu geworden is. Door proberen te dringen tot de kern van zijn bestaan. Dat valt niet mee, zeker omdat je nooit iemands anders zijn leven ten volle kunt overzien.

Soms zie je, gezeten naast iemands bed in het ziekenhuis, de aftakeling toeslaan. Zoals de afgelopen week bij mijn schoonvader. Op hoge leeftijd, bijna 80 jaar, getroffen door een Tia, eerst helemaal onmogelijk om te praten, maar inmiddels wel weer in staat tot het voeren van korte gesprekken. Het lijkt weliswaar een beetje op de automatische piloot te gaan. Vragen naar de bekende weg ... Maar je merkt wel dat het niet helemaal meer is zoals vroeger. Hij mist iets .... Het is niet meer compleet. Je kunt misschien wel zeggen, dat hij niet helemaal meer dezelfde is. Soms zie je hem wegdromen, met open ogen in slaap vallen. Vaak ligt hij zomaar te staren naar een onzichtbare plek op de muur. Keert af en toe terug naar de werkelijkheid, als hem wat wordt gevraagd. In een andere wereld opgesloten, met hier en daar een bruggetje naar zijn eigen herinneringen of naar de alledaagse werkelijkheid. Heel moeilijk om contact te maken en vast te houden. Je ziet dat hij soms zoeken moet naar de woorden. En af en toe komt er zomaar een uitspraak uit een ver verleden uit zijn mond ...

Ontluisterend.

En dat gaat ook over zijn lichaam. Aan allerlei slangetjes wordt weliswaar zijn lichamelijke toestand in de gaten gehouden, als dat nodig is. Via een infuus wordt vocht toegediend, via een katheter wordt vocht afgevoerd. Het lijkt aardig wat, als je iemand nog zo in bed ziet liggen, of half overeind ziet zitten. Maar als de dekens opengeslagen liggen, zie je de magere benen. Als hij weer eens in zijn stoel zit, zie je hoe hij naar één kant hangt. Als je zijn blik observeert, merk je dat hij anders kijkt als anders. Als je heel bewust zijn ademhaling waarneemt, onregelmatig, met open mond, telkens stokkend, waardoor hij met een schok weer wakker wordt, dan word je er zelf moe van. En als je de verhalen hoort over wassen en stoelgang, die wil je niet eens weten ...

Dat iemand, sterk als een beer in zijn jonge jaren, nog zeer actief en altijd bezig op zijn tuin, tot een enkel jaar terug, zo, vernederd, onttakeld, schriel en afhankelijk van anderen, zijn laatste levensdagen of -jaren moet slijten, hangend aan een strohalm, vechtend voor adem, hoestend terwijl hij daar eigenlijk geen kracht meer voor heeft, ja, dat is bijna mensonwaardig.

Ontluisterend, zeker. Alle franje is weg. Alle frutsels overbodig geworden. Basaal, overleven. Tot het einde komt. De laatste adem. Wachten. Wachten op de dood.

De dominee in de kerkdienst vanmorgen bad speciaal voor deze mensen. Of ze mochten berusten. Voor overgave. Om los te laten. Ja, dat is het. Daar draait het uiteindelijk om. Maar het doet wel zeer. Het kost wel moeite. Want met elke ademtocht snak je naar het leven. Wil je vasthouden. Wil je verder leven.

Een beeld. Van een hand op een deken. Oude, verrimpelde, dooraderde, oude mannenhand. In rust. Friemelende, plukkende vingers. Onbewust, zoekend, tastend. Beeld van het leven.

Wat is het leven? Wat is het leven waard? Wat blijft er over van een mens? Wat is er blijvend bij het naderen van de dood? Wat is een leven, los van God?

Best confronterend, deze ontluistering ....

En toch, je kunt het hier niet bij laten. Het is niet alles. Het is niet het hele plaatje. Want waar ontluistering plaatsvindt, daar was eerder dus wel sprake van 'luister'. Een vorm van glorie. Majesteit. Zo heeft de mens een geschenk ontvangen van zijn Maker. Dat is een wonder op zich. Waar je ook niet over uitgedacht raakt.
HEER, wat is de mens dat u om hem geeft, de sterveling dat u aan hem denkt? (Psalm 144 : 3)
HEER, onze Heer, hoe machtig is uw naam op heel de aarde.
U die aan de hemel Uw luister toont –met de stemmen van kinderen en zuigelingen bouwt U een macht op tegen Uw vijanden om hun wraak en verzet te breken.
Zie ik de hemel, het werk van Uw vingers, de maan en de sterren door u daar bevestigd, wat is dan de sterveling dat U aan hem denkt, het mensenkind dat U naar hem omziet?
U hebt hem bijna een god gemaakt, hem gekroond met glans en glorie, hem toevertrouwd het werk van Uw handenen alles aan zijn voeten gelegd. (Psalm 8 : 2-7)

Ssst

God

laat mij mezelf
beperken
tot dat ene woord

niets meer
niets minder

centrum
van alles
bodem
onder mijn zijn

laat mij
stil zijn
zonder woorden
dan alleen
het noemen
van uw naam
uw wezen
uw zijn

Ik ben
Jahweh
God
Rots
Vesting
Schuilplaats

stil zijn
zonder gedachten
zonder wensen
zonder zeuren

adem
in
en uit

zachtjes
langzaam
bewust

open
stil
ontvankelijk
zijn

luisteren
met geheven hoofd
open handen
ontspannen lichaam

Vader
Licht
Waarheid
Almacht
Aanwezige
Eeuwige

laat mij zwijgen
en ervaren
heel bewust
aanwezig
in dit moment

Stilte
Luisteraar
Ontvanger
Zender
Ziener

wil mij 
ontvangen
en zien

wil mij
ssst
....
....
....

zaterdag 3 december 2011

Herberg

Over de gemeente van Jezus Christus zijn heel wat boeken geschreven, heel veel theologen hebben heel veel tekst gespuid om er iets over te zeggen, dat ongetwijfeld hout snijdt. In onze huidige tijd, waarin er niet alleen een economische crisis aan zit te komen, maar de kerken ook nog eens leeglopen, wordt er aan alle kanten nagedacht over hoe het nu verder moet. Er worden onderzoeken gedaan, gekoppeld aan schrikbarende voorspellingen. Missionaire initiatieven worden bedacht, met name voor in de steden, waar de kerk nagenoeg is verdwenen. Op het platteland, speciaal in de Bible-belt, begint de reformatorische zuil ook scheuren te vertonen. Hij wordt van binnen uitgehold. De jeugd groeit niet mee. Er wordt van buiten prikkelend op gereageerd. Dat levert nogal eens krampachtige reacties op. Proberen te houden wat we hebben. Conserveren. Isoleren. Pareren.

Ik ben bang dat we het zo niet zullen redden. Hoe nu verder? Wat te doen?

Ik ben zeker geen deskundige op dit gebied, maar ben wel geïnteresseerd in hoe anderen hierover nadenken, welke oplossingen er worden aangedragen, welke ideeën er leven en hoor het graag als er dingen zijn die echt 'werken'. Maar de grote vraag is of er iets is dat echt werkt. We kunnen onderzoeken, bedenken, plannen maken, onderbouwen, bouwen, uitvoeren en werken wat we willen, en er is veel goeds wat gebeurt, maar de centrale vraag is volgens mij of God de ruimte krijgt om te werken. Door ons heen.

En dat waag ik toch echt te betwijfelen.

Existentiële vragen

wie weet
wat waarheid is

en wie
zal zeggen
waar ik
vandaan gekomen ben
om hier te zijn
op weg naar
wie weet wat

het pad
onbekend
het doel
slechts
te raden

wat doe ik hier
ondertussen
waarom
adem ik leven
en wat
is de zin
van zijn

is er een oorsprong
is er een eindpunt
er er verbinding
is er leven
na de dood

is er iemand
die het weet
echt zeker weet

is er iemand
daarbuiten

is er meer
dan ik kan zien

is het te kennen
en te weten
of is het
alleen maar
te geloven

dan is de volgende
belangrijke vraag
wat dan
geloven precies is

is er iemand
die het kan vertellen
die weet
hoe het zit

is het geopenbaard
en is het
ook te ontdekken
te ontwarren

te ontwaren
in de duisternis
die leven heet

is er licht
is er leven
is de waarheid weg
onvindbaar
en onkenbaar

***

te denken
en te vragen
te zoeken
en te jagen
het houdt niet op
je wordt zo moe
zo ongelooflijk moe
van al die gedachten

is er filosofie
in kennen
en verstaan

of is er
alleen
maar stilte
peilloze diepte
zonder antwoorden
onvindbaar
niets

***

wel
zo op een rijtje
achter elkaar
zeggen de vragen
mij meer
dan alle antwoorden
die ooit verzonnen zijn

want mijn hoofd
en hart
en wil
en ziel
schreeuwen
allemaal tegelijk

het kan niet waar zijn
dat er niks is
dat ik er zomaar ben
dat ik alleen zou zijn
in de enorme kosmos

dat wij bestaan
die kosmos en ik

er is een drang
een zoeken
en een vragen

er is een gat
in mijn hart
dat roept
om vervulling

dit is het bewijs
mijn gedachten
en geloven
en proberen
te weten

dit is het bewijs
het verlangen
de hunkering
het zoeken van de weg
de waarheid
het licht
het doel

meer willen zien
dan er te zien is

de verhalen
willen koesteren

de liefde durven zoeken
en aanvaarden
de kilte verdreven
elkaar zo verwarmen
aan ons innerlijk vuur

hoop die ontvlamt

het wonder
van nieuw leven
aanschouwen

elke prikkeling
is bewijs
op bewijs
openbaring
bovenop 
ervaring

er is een doel
er was een oorsprong
alles heeft zin
God is het centrum
van het bestaan

en al kan ik
maar beperkt zien
en denken
liefhebben
en zijn
zelfs mijn gedachten
zijn een bewijs
dat ik mij 
uit kan strekken
om mijn Maker te ontdekken
beetje bij beetje
meer en meer

het gat
in mijn hart
wacht op vulling
zodat ik
volwaardig
kan bestaan
tot in eeuwigheid

slechts
door te zien
op Hem
die niet te zien is

dat is de macht
van geloven
al zit de macht
niet in geloven
maar in het geloof
in de Machtige

vrijdag 2 december 2011

Klaagzang

- Ik wil niet klagen, zei de profeet. Ik ben geen zeur en ook geen zanik. Maar toch, nu wil ik eigenlijk klagen.
- Maar waarover dan, vroeg de priester, en schikte zijn kleed, verzamelde het geld in de offerschalen en liep bedrijvig rond in het huis van de koning.
- Over het offer misschien? Of over de crisis?
- Nee, niet over de crisis, niet over de banken, niet over de graaiers, niet over de gebakken lucht ...
- Maar dan, waarover dan?
- Over het hedonisme.
- Het wat ...?
- Hedonisme. Alle mensen willen altijd meer, genieten, hebben, krijgen, kunnen, kopen, doen.
- En jij, jij geniet niet?
- Ik geniet ook. Zeker, maar ik relativeer alles wat ik zie. En wat ik zie, om me heen kijkend, stemt me niet hoopvol, niet vrolijk voor de toekomst.
- Je bent een pessimist.
- Ik ben een profeet.
- Wat is verschil?
- Een pessimist ziet overal problemen, ook als ze er niet zijn. Een profeet ziet dingen, analyseert ze, weegt het op de weegschaal van de koning, wil aanwijzen en corrigeren als het niet goed gaat.
- Jaja. En jij vindt nu dat het niet goed gaat. Maar de offerschalen zijn vol, het huis staat als een huis, ik doe mijn werk met vreugde. Wat wil je nog meer?
- Zie je het dan niet?
- Wat?
- De leegheid, de drukte, het najagen van wind, het egoïsme, de hebberigheid, de verspilling, de leegloop, de vervaging, de verkilling, de protserigheid ...!
- Nou nou, dat is nogal wat .... Moet je jezelf niet eens relativeren? Oordeel je niet te snel, te makkelijk. Het zal zo'n vaart toch wel niet lopen. En toch zeker niet bij iedereen?
- Nee, niet bij iedereen, niet overal, niet altijd. Maar toch .... Veel meer dan me lief is. Veel meer dan de koning verdient.
- De koning? Denk je dat die er van wakker ligt?
- Waarom niet?
- Hij is er toch niet? En hij heeft belangrijker zaken aan zijn hoofd.
- Wie weet. Maar ik ben er niet zo zeker van dat hij het niet weet. Hij verdient het ook niet.
- Ach, het zal allemaal wel meevallen. Zolang de mensen hier nog willen komen, tijd en energie en geld besteden aan het onderhoud van het prachtige monument ....
- Monument? Je doet of het iets is uit een ver verleden.
- Het is ook iets uit een ver verleden ...
- Ja, maar hij komt terug, dat heeft hij beloofd. Dus het is ook iets voor de toekomst.
- Natuurlijk, dat is ook zo ... Maar het duurt anders wel lang.
- Ja, het duurt wel lang. Het wordt er niet makkelijker op. Maar weet je, zou ik de volgende keer niet een klaagzang mogen zingen?
- Een wat ...
- Een klaagzang. Een lied om alles aan de kaak te stellen.
- Ben je gek geworden? Wil je iedereen wegjagen?
- Nee, aan het denken zetten.
- En denk je dat ze dat pikken?
- Is dat interessant of ze het pikken? Hebben ze het nodig, dat is een veel belangrijker vraag.
- Je wordt naar buiten gejaagd.
- Buiten kan ik ook zingen ...
- Of ze lopen weg ...!
- Voor hun verantwoordelijkheid, bedoel je?
- Je waagt het niet. Ik wil rust in de tent.
- In het huis.
- Bij wijze van spreken dan.
- Het is niet jouw huis ...
- Ik ben er wel verantwoordelijk voor.
- Ik ook.
- Dat het vol wordt. Niet dat het leeg loopt.
- Dat het vol wordt van mensen die vol worden. Maar niet vol van weelde. En gezapigheid.
- Je bent negatief.
- Ik ben realistisch.
- Waar zijn je idealen gebleven?
- Ik ben ook idealist. Ik geloof er in. Maar soms moet er wat gebeuren, wat veranderen, wat onder ogen worden gezien.
- Dat zeg jij.
- Dat zeg ik. Het is mijn beroep. Ik ben profeet.
- Ga een boek schrijven.
- Dat schrijf ik al. Maar dat gaan ze niet lezen. Als ze niet willen.
- Wat dan? Wat wil je dan?
- Naar buiten. Roepen van de daken. Schreeuwen op de straat. In de krant. Op de radio, de televisie.
- En jij denkt dat dat zal helpen, zo agressief, zo veroordelend?
- Het is mijn taak. Spiegelen. Profeteren. Onder ogen laten zien. Tot de orde roepen.
- Het is hun eigen zaak. Je moet je niet teveel met andermans zaken bemoeien. Daar krijg je problemen mee.
- Het is mijn taak mij met de opdracht en het doel van de koning te bemoeien. Ik heb een verantwoordelijkheid. Ongeacht de problemen, die ik er mee zou kunnen krijgen.
- Je bent onverantwoordelijk.
- Ik ga zingen. De volgende keer. Een echte klaagzang. Een wakker-schud-lied.
- Ik verbied het je.
- Dan ga ik naar buiten. Nu. Ik kan het niet laten. Ik moet. Het moet.
- Tja, als je het dan niet laten kunt.
- Ik ga echt.
- Durf je wel?
- Nee. Maar ik moet.
- Doe je voorzichtig? Doe je zachtjes aan? Let je op je woorden? Op tijd wegwezen, hè? En je weet het, je kunt altijd weer terugkomen, als je op de vlucht bent.
- Op de vlucht? Ga je me verstoppen?
- Als het moet.
- In het huis van de koning?
- Je weet maar nooit.
- Als ik me daar al moet verstoppen ... Ga je nog mee?
- Eh ... nee, dat kan niet. Ik moet op het huis passen.
- Jouw tent.
- Het huis. Dat zei je net zelf.
- Ik ga. Zingen.
- De groeten.
- Ja. Bid maar voor me.
- Oké.

De deur ging open. En de deur sloeg weer dicht. De profeet ging, het donker van de nacht in. Hij huppelde, hij zong, hij klaagde. De priester slofte hoofdschuddend weer naar binnen.

De koning glimlachte van een afstandje, zonder dat iemand hem zag. Hier heb ik op gewacht, mompelde hij. Nu gaat het beginnen. Eindelijk. Het slotakkoord.

Hij stond op.

Geloven

het is geen kunst
te geloven
in het leven
als je het ziet
en voelt
ervaart
en ondergaat

het is geen kunst
te geloven
in het bloeien
als de roos
haar geur verspreidt
en haar felle kleur
laat spreken

het leven
is een wonder
als je het niet ziet
en toch gelooft
omdat het is gezegd
voorspeld
en voorgedaan

liefde
zit in de knop
van de bloem

genade
in het zaad
in de grond

als de dood
haar slagen slaat
dan is het juist
de kunst
niet los te laten

maar je hart
te laten spreken
van een ander leven

te bidden
tot de Schepper
van een nieuwe tijd


te rusten
in de stilte

te hopen
op het wonder
van het licht
dat wacht

zelfs
de regen
is een zegen
voor de groei
die komen gaat

ja
de winter
is een schuur
van eeuwigheden
die slapend
wachten
op de hen
bestemde tijd


(eerder gepubliceerd als reactie op het gedicht 'Levenskunst' van Paul Abspoel op 'Vrijspraak')