Het rookt hier nogal.
Het ruikt naar grote woorden.
Walmende wolken.
Geschroeid en verzadigd.
Afleidend.
Veel teveel.
Het mist hier behoorlijk.
De kern aan het oog onttrokken.
Het licht is verdicht.
Het zicht verduisterd.
Wij dwalen af.
Verstrooid.
En we ondergaan gedwee.
Te moe voor tegengas.
Te verdwaasd voor een weerwoord.
Te zittend om op te staan.
Vastgeroest.
Passief.
Het zal toch zeker wel een keer overgaan?
Of, nog erger, het hoort toch zeker zo?
Want het is altijd al zo geweest.