De boom.
In het bos.
Is alleen.
En moe.
Zo moe.
Zo zwaar.
Zo geladen.
Zo bezwaard.
Alleen.
In het bos.
Vol andere bomen.
Die wuiven in de wind.
Die lachen met het licht.
Die dansen in de regen.
Die buigen voor de nacht.
De boom doet niet mee.
Niet meer.
De boom weet te veel.
De boom voelt te veel.
De boom ziet geen licht.
De boom is van het zuchten moe.
Hij is star en stram.
Geworteld in verharde grond.
Hij buigt niet meer mee met de wind van de dag.
Zijn bladeren dwarrelen stuk voor stuk.
Als zwijgende woorden traag naar de aarde.
Zijn takken worden kaler en leger.
Meer en meer kan hij de kilheid van de hemel ontwaren.