Ach, lieve Heer, ik heb U gezocht.
Zeer intensief.
En jarenlang.
Gedwaald over velden en wegen.
Over hoge bergen gesjokt en door diepe dalen gestruikeld.
Gekeken en getast.
Gelezen met mijn hoofd.
Geluisterd met mijn hart.
Maar het leek of U verdwaald was.
En Uzelf verstopte achter elke hoek of elke bocht.
Dichtbij genoeg om te vermoeden.
Maar te ver voor een ontmoeting.
Ik heb gedacht, gewroet, geobserveerd.
Ik heb gelaten alles laten komen wat voor handen lag.
Ik heb gezocht, geweten en geleerd.
Ik heb gegraven en gereikt.
Er kwam geen einde aan, de grenzen werden steeds verlegd.
Tot ver buiten het bouwwerk van weleer, van regels en van wetten.
De vaste structuur van vormelijkheid.
Heb ik mij ingelezen.
Woorden gedronken.
Visies uitgeplozen.
Mijn horizon verlegd.
Tot de letters gingen dansen en mijn hoofd ging duizelen.
Er kwamen niet zozeer antwoorden.
Maar juist steeds meer vragen borrelden op.
Tussen de regels door en onbedoeld.
Want gedacht te weten, of geacht te zijn, bleek niet te landen in mijn hart, dat wachtte.
Dat smachtte, al zo lang.