Kom, zei de dichter op een dag, laat ik maar eens wat obstinaats gaan doen. Gaan zingen in het altijd stille bomenbos. Of bewust langdurig zwijgen op het podium van grote sprekers. Of ergens hangen in het zwevende gedeelte tussen hardvochtige grond en een beloftevolle hemel.
Voorzichtig stond hij op, keek om zich heen, bedacht zich toen en mompelde, maar ik kan natuurlijk ook
gewoon gaan dichten, over de dingen die niets voelen ...
Maar nog voor de pen over het papier had kunnen krassen, om gedachten in woordvorm te boetseren, werd de dichter een wonderlijk fenomeen gewaar. Een zacht ruisen, een ongehoord trillen, een boos gefluister van de dingen om hem heen, deed hem verbaasd de wenkbrauwen fronsen, stil en opmerkzaam zijn.
Wat is er, bromde de dichter, heb ik soms iets verkeerds gezegd?
Eindelijk, na een dreigend lange stilte klonk er vanaf zijn bureau een heel omfloerst geluid. Hij spitste zijn oren en verstond, meer met zijn hart, dan met zijn oren, wat er gezegd werd.
Zeg dichter, oordeel niet te snel over ons, de dingen om je heen, al zitten wij strak in de vorm, zijn wij gemaakt om te dienen en zwijgen wij de hele dag, wij zijn echt niet gevoelloos. Wat wij waarnemen slaan we op, wat we zien beoordelen wij, zonder commentaar, hoe we behandeld worden, voelen we, tot in onze diepste nerven en atomen. Zonder gevoel? Echt niet, meneer de dichter, u hebt het mis.
De dichter glimlachte verbaasd. Droom ik? fluisterde hij, maar wreef toch zacht en teder over zijn bureaublad. De dingen met gevoel, hoe is het mogelijk? mompelde hij.