Als ik mijn ogen open.
Zie ik het schone, het mooie, het kleurrijke, het weidse, het subtiele.
De wereld is vol van wonderen.
Het licht aan de lucht voedt het licht diep van binnen.
Maar ik ga er ook zo maar aan voorbij.
Als ik slow-motion met mijn voeten door de modder worstel.
Ervaar ik de kracht van de zon, de geur van de bloemen, de roep van de vogels.
Onderga de vluchtigheid van de wolken.
Maar als ik te veel haast heb, ontgaat juist alles mij.
Als ik een boek open.
Roepen woorden lessen in mij wakker.
Leer ik in de spiegel van mijn ziel kijken.
Laait het vuur op.
Wordt ik dronken van vergezichten.
Als ik het boek echter weer sluit, drapeert de tijd maar al te vaak haar sluier van vergetelheid.
Als ik een idee ontvang.
Van binnen, van buiten, ver van omhoog.
Zo maar uit het niets, vervuld van alles.
Zoek ik er vormen, woorden, verzen voor.
Gaan ze er te vaak weer vandoor.
Verdwaald in zijwegen.
Verdooft, versuft, zoek ik vergeefs, naar wat mij dreef, naar wat ik wilde zeggen.
Als ik een kind zie.
Open en spontaan, verdiept in eenvoud, dartel, ontwapenend, ongedwongen, begaan.
Dan droom ik soms van later, ver voorbij de horizon van speelsheid.
Nieuwsgierig wat en hoe de wording vormen zal en de vorming worden zal.
Maar zoek ik naar de dromers onder de volgroeiden.
Dan zie ik veel te vaak het bouwen aan structuur, het streven, draven en maar gaan.
Voorbij de dag, het nu, het idee dat nieuwe wegen zoekt, daar komt men zo vaak niet aan toe.