Sow for yourself righteousness, reap the fruit of steadfast love; break up your fallow ground, for it is the time to seek the Lord, that He may come and rain salvation upon you (Hosea 10:12).

zondag 20 juli 2014

Gebroken spiegel

Het viel.
Met veel gekletter.
Hard aan diggelen.
Wij schrokken allemaal.
Hielden heel even de adem in.
Alle woorden hielden stil.
Ongemakkelijk.
En aangedaan.

Het was.
Te verwachten.
We zagen het komen.
Het lag op de loer.
Het wachtte al langer.
Op een moment
Als nu.

En wij?
Wat nu?
Wat konden wij doen?
Hadden wij kunnen voorkomen?
Waren wij mede schuldig?
Moesten wij nu gaan rapen?
Brokstukken?
Lijmen?
Helen?

***

Mijn kind.
Ik ben hier.
Ik zie je.
Ik hoor je hart.
Huilen.
Ik ken je tranen.
Ik vang ze op.
Huil maar.
Laat maar gaan.
Geef maar over.
Schaam je niet.

Ik ken je pijn.
Niet van die scherven.
Maar ver daarvoor.
Toen het begon.
Van jongs af aan.
Ik was erbij.
Ik zag het aan.
Ik huilde.
Al die tijd.

Ik wist.
Ik voelde.
Ik droeg je.
Telkens weer.

Je bent.
Mijn kind.
Je bent gewild.
Je bent uniek.
Jij bent jij.
Omdat.
Ik heb gewild.
Omdat.
Ik heb geweten.
Omdat.
Ik lief had.
Heb.
Nog steeds.

Je hoeft niet bang te zijn.
Je mag er zijn.
In al je hulpeloosheid.
Ik wil er voor je zijn.
Altijd.
Samen kunnen wij toch alles aan?

Ik zie.
Gebrokenheid.
Tekort.
Machteloosheid.
Eenzaamheid.
Falen.
Steeds opnieuw.
Je wilt zo graag.
Maar struikelt.
Elke dag.

Blijf niet treuren.
Wees niet bang.
Doe maar niet krampachtig.
Ik weet het al.
Daar gaat het helemaal niet om.

Vertrouw mij maar.
En luister.
Leg je oor maar.
Aan mijn hart.
Leg je zwijgen.
In mijn handen.
Offer mij.
Je stilte.
En proef dan.
Liefde.
Roekeloos.
Het mag.

Ik wil er zijn.
Voor jou.
Alles wil ik.
Met je delen.
Altijd.
Wil ik.
Voor je.
Zijn.

Jij bent.
Mijn spiegel.
In jou zie ik.
Mijn liefde weer.
Bloeien.
Als een kleurfontein.

Niet de brokken.
Niet de scherpte.
Niet wat allemaal kapot ging.
Maar het zaadje.
Wat ik plantte.
Maar het water.
Dat ik goot.
Het licht.
Dat ik met je wil delen.
Elke morgen nieuw.

Stil maar.
Lach maar.
Door je tranen heen.
Kom maar.
Loop maar.
Samen op.

Ik zal bij je zijn.
Ik zal met je gaan.
Ik zal geven.
Ik zal wijzen.
Ook al zie je mij dan niet.

Weet.
Geloof.
Vertrouw.
Dat ik je ken.
Dat ik zal delen.
Dat ik je leid.
Door het leven.

Dat we samen.
Zullen groeien.
Tot we.
Samen.
Zullen zijn.

***

Het bleef zo stil.
Een stilte na de storm.
Het zwijgen duurde lang.
Was pijnlijk ongemakkelijk.
Het leek of er niets gebeurde.
Of we allemaal ergens op wachtten.
Steeds luider klopten onze harten.
Maar we verroerden ons niet.
We keken alleen maar.
Naar elkaar.
Hulpeloos.

De stilte.
Tikte meedogenloos.
Maar traag.
De tijd.
Weg.

Toen.
Onverwacht.
Brak het licht door.
Door de ramen van het huis.
Glinsterend weerkaatste het.
Over de duizenden brokjes.
Van de gebroken spiegel.
Op de stoffige vloer.

En het lied.
Van het licht.
Brak de stilte open.
Tot een lieflijk.
Gedicht.

En wij?
Wij lachten.
Om het wonder.
Van de schitterende kleuren.
Resonerende reflecties.
Zonder woorden.

Maar wij.
Begrepen.
Het niet.

2 opmerkingen: