Sow for yourself righteousness, reap the fruit of steadfast love; break up your fallow ground, for it is the time to seek the Lord, that He may come and rain salvation upon you (Hosea 10:12).

zondag 7 juli 2013

Geloof

Geloof is een pluisje, dat zweeft door de lucht, tot het door de wind gedreven, hechting vindt in de donkere aarde van een zoekende ziel.

Geloof is het sprankje licht aan het eind van de tunnel zien, voor je de bocht om bent gegaan.

Geloof is met veel liefde, geduldig broeden op een nestje hoop.

Geloof is vertrouwen op de oase, midden in de woestijn van het leven.

Geloof is midden in de kilte aan een enkel draadje van houvast, een kledingstuk fantaseren voor de winter.

Geloof is je laatste restjes brood gooien op het duistere water, en het onverwacht weer terugvinden na vele dagen.

Geloof is verliefd worden op een meisje wat je nog nooit gezien hebt.

The sculpture of structure in nature



donderdag 4 juli 2013

Waar is de liefde gebleven?


Wat is er gebeurd met het soepele, beweeglijke en wonderlijke lichaam, het volkomen op elkaar ingespeelde, samenhangende geheel van de onderscheiden delen, met elk een eigen specifieke functie, alles centraal aangestuurd door het overkoepelende en altijd ongeziene Zenuwcentrum? Is zij verstijfd in koppigheid, is zij verdeeld in verschillendheid, is zij in de diepe slaap gevallen van onverschilligheid of wellicht van wellustigheid? Is zij gehandicapt in de soepelheid van gecoördineerde bewegingen, gestoord in de ontvangen impulsen, gebrekkig en stijf geworden in aan- en ontspanningen van de spieren?

Waar is de woelige en gevoelige wind van de Geest gebleven, die altijd weer wegen vindt die onmogelijk lijken, fluisterend als een zoete zomerreiniging of bulderend van heftige verontwaardiging? De flexibiliteit en onnavolgbaarheid van de geest zouden toch altijd groter moeten kunnen zijn dan die van het tastbare en trage lichaam?

Waar is de altijd voor verrassingen zorgende weg gebleven, die lang van tevoren door de Wegbereider was uitgestippeld, naar onbekende verten en onverwachte ontmoetingen? Is zij doodgelopen in duisternis of is zij gestrand in blokkendozen zekerheid of wellicht overwoekerd door keurig aangeharkte tuintjes overzichtelijkheid?

Waar is het flexibele huis gebleven, kunstzinnig opgebouwd van levende stenen? Zijn de levende stenen soms gebakken en uitgehard in de brandende zon van het consumentisme en de lijdelijkheid?

Waar is toch de mysterieuze en tegendraadse waarheid gebleven, die de gebrekkigheid en gebrokenheid blootlegt en de vezels naar hogere en onverwachte redding onthullen kan? Heeft de leer van de leer soms een al te dichtgetimmerd dak aangebracht als kunsthemel van het vreemde gebouw, ter buitensluiting van de zegen van de regen van levend water, met wegneming van het bijzondere uitzicht op het nog meer bijzondere licht, met beperking van de veelzeggende ruimte, met vervluchtiging van de vrijheid in de bedomptheid van elkaar bestrijdende intellecten?

Waar is de gemeente gebleven als gemeenschap van ontmoetingen in gelaagdheid en oefenscholen van luisteren? Stokstijve stokpaardjes geworden wellicht, of al te vrijblijvende luisteraars en beoordeelaars?

En waar is het stromende, soepele, levende, altijd bewegende water van weleer naar toe gevloeid? Is zij wellicht gestold en bevroren in ijskoude nachten en heethoofdige conflicten, onzuiver geworden door overbodige en onterende moddergevechten? Is zij moedwillig de verkeerde richting op gekanaliseerd en verdwenen achter hoge muren of dwangmatige bergen?

Waar zijn de uitbundige zangers van de altijd weer nieuwe liederen van bevlogenheid en inspiratie? Zijn zij gestrand in fossielen van weleer, om er eindeloos over te discussiëren? Of zijn ze elkaar juist aan het bewedijveren in nieuwe, steeds extremere vernisvormen van lawaaidoofheid?