Sow for yourself righteousness, reap the fruit of steadfast love; break up your fallow ground, for it is the time to seek the Lord, that He may come and rain salvation upon you (Hosea 10:12).

zaterdag 30 april 2011

Immanentie en transcendentie

Al een tijdje aan het broeden over deze twee moeilijke woorden. Althans, ze komen niet direct in het alledaagse leven ter sprake, dus niet iedereen zal ze zomaar gebruiken. Ik ook niet. Toch zijn het twee woorden die het waard zijn om eens over te mediteren. Ze drukken iets uit van de paradox van het leven. Ons bestaan. Het zijn van God.

Eerst even de woorden uitleggen.

Van transcendentie spreken we, om daarmee bijvoorbeeld God te omschrijven, als zijnde boven en buiten zijn schepping. Hij heeft ons en de wereld waarin wij leven gemaakt, geschapen, maar staat er zelf buiten. Hij neemt er geen deel aan. Hij ziet ons, aanschouwt ons, observeert wat wij doen. In de theologie wordt wel eens gezegd: God is de Gans Andere, de Tegenover.

Van immanentie spreken we als God juist wel in de schepping binnendringt, zichzelf kenbaar maakt, in zeker zin en tot op zekere hoogte laat zien wie Hij is. Zichzelf openbaart dus. Zoals Hij dat doet door dromen en visioenen, door de gedaante van een engel of een mens aan te nemen, door de woorden uit de Bijbel die Hij gegeven heeft. Je kunt zelfs stellen dat God zich ook min of meer bekendmaakt in zijn eigen schepping. Niet dat je Hem letterlijk ziet, maar Hij heeft zijn sporen daarin nagelaten.

Deze twee begrippen lijken dus op het eerste gezicht al met elkaar in tegenspraak. Het kan niet beide waar zijn. Hij staat buiten de schepping. Of Hij neemt er deel aan. Of, of.

En toch is het bijzondere, dat het wel waar is. God is èn immanent èn transcendent. Hij staat buiten onze werkelijkheid en neemt er tegelijk deel aan. Het zijn beide eigenschappen van God. En het heeft ons wat te zeggen.

God is de Eeuwige. Zonder begin en zonder einde. De Eeuwig zijnde. Op een zeker moment (dat is al een ‘tijdelijk’ begrip) schept Hij onze wereld. Dat doet Hij door eerst ruimte en tijd te scheppen. Vanuit een onbeperkte dimensie ‘’ eeuwigheid’, maakt Hij een beperkte dimensie. En daarbinnen ontstaat onze kosmos, het universum, met daarbinnen weer de aarde. En op die aarde de mens en de dieren. Ook wij zijn dus beperkte wezens. Begrensd door tijd en ruimte. We zien en voelen en tasten en horen met onze zintuigen.
Wij zijn dus ook in die zin beperkt dat we alleen maar onze werkelijkheid kunnen zien en ervaren, we kunnen dus niet in de eeuwigheid kijken. God ziet ons wel, de engelen aanschouwen ons, maar dat is niet wederzijds. In dat opzicht is God dus heel duidelijk de Transcendente God. Hij staat buiten zijn eigen schepping.

Aan Adam, de eerste mens, maakte Hij zich heel nadrukkelijk bekend. Hij sprak met hem. Hij wandelde zelfs in de hof, in de koelte van de avond. We kennen het vervolg. Je kunt wel goddelijk zijn, je kunt wel alles hebben wat je hartje begeert, maar er begint wel eens iets te kriebelen. Ik wil meer, veel meer. Ik wil alles. En daar ging het fout. Weg paradijs, weg alles. Tot de dood erop volgde …

Het is bijzonder, een wonder, dat Hij zich ook daarna nog regelmatig en duidelijk kenbaar maakt. In de geschiedenis van de mensheid zijn er telkens momenten geweest dat Hij een tipje van de sluier heeft opgelicht, en Hij van hart tot hart met mensen spreekt. Abraham, Mozes, Elia. Later gebeurt dat veel meer indirect, door middel van profeten. In dezelfde tijd worden de eerste boodschappen ook op schrift gesteld.

En de centrale boodschap van het Oude Testament in de Bijbel is toch wel dat God een plan heeft, een in de eeuwigheid gemaakt plan. Een belofte op herstel. Een uitzicht op de Boom des Levens. Zijn Zoon zou komen. We kennen de geschiedenis, de evangeliën verhalen ervan, meerdere ooggetuigen hebben het op schrift gesteld voor latere generaties, voor ons. Maar dringt het tot ons door dat God hier weer vanuit de eeuwigheidsdimensie direct ingrijpt in ons bestaan, ons bestel, ons leven, onze toekomst. De Onzichtbare wordt Zichtbaar. De Eeuwige wordt Tijdelijk. De Transcendente wordt Immanent.

Hij past zich aan aan zijn eigen schepping. Zo diep daalt Hij af. Zo ver buigt Hij over. Om ons aan te raken, te ontmoeten, te veranderen. Niet door zichzelf op te dringen. Niet door ons als poppetjes aan touwtjes bijeen te vergaren en ons allemaal naar de eeuwigheid mee te nemen. Nee, Hij creëert een mogelijkheid, houdt ons opnieuw de keuze van het paradijs voor. Niet om in het paradijs te zijn, te spelen, te genieten. Maar om Hem weer te ontmoeten. Van aangezicht tot aangezicht. Om op elkaar betrokken te zijn.

Zeg het maar, kies maar, wil je wel of wil je niet? Kom je? Volg je me? Hoor je me? De vraag aan Adam staat nog steeds, ook voor ons: waar ben je?

Nog even terug naar de schepping van de mens, want er is er toch ook iets opmerkelijks aan die schepping. Hij maakt ons, de mens, naar zijn beeld en zijn gelijkenis. Wij zijn dus een anders-dimensionale spiegel van God zelf. Wij lijken, hoe dan ook, op Hem. Wij zijn een beetje goddelijk. Zo staat het ook in één van de psalmen. Dat heeft volgens mij dus niet alleen te maken met het wonder van de aardsheid, ons wonderlijke lichaam en het functioneren daarvan te maken, of met de adem van levenskracht, of met de hartslag van onze tijdelijkheid. Maar dat gaat ook over het menselijk geweten, het bewustzijn (‘consciousness’ zeggen de Engelsen), een zekere kennis van het feit dat er meer is tussen hemel en aarde, een geestelijke antenne.

Enkele weken geleden deed ik mee aan een discussie op een andere blog over onze ervaringen van God, hoe wij God in alles kunnen ‘ontdekken’ in de dingen om ons heen, in de mensen die we ontmoeten. Daarbij kwam ook weer het onderscheid tussen transcendent en immanent ter sprake, aan de ene kant de openbaring, aan de andere kant onze ervaring. Want wat Hij openbaart, moet wel weer bij ons landen, binnenkomen, in goede aarde vallen. Anders merken we het niet eens op, lopen we er langs heen. Je moet er dus voor open staan, ontvankelijk voor zijn. Dat is onze kant voor het verhaal. Er zijn genoeg aanwijzingen te vinden voor hen die er voor open staan, die op zoek gaan. Zoekend en tastend, zoals Paulus op de Areopagus zegt. In Romeinen 1 : 20 staat: ‘Zijn onzichtbare eigenschappen zijn vanaf de schepping zichtbaar in zijn werken, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid zijn voor het verstand waarneembaar.’ Maar, ‘God hides in plain sight’, je kunt er ook compleet langs lopen.

Er zijn genoeg verbindingen tussen de beide dimensies tijd en eeuwigheid, geest en materie, God en mens. Af en toe gaat het gordijn even open. Je ziet dat in de Bijbel, je ziet dat ook in het leven om je heen, je ervaart het zelf, leest er over bij andere mensen, hoort bijzondere getuigenissen. Ik heb er al meer over geschreven, omdat het me intrigeert.

Toch is alle kennis, alle openbaring maar beperkt. Omdat wij het volle zien en weten niet aankunnen met ons beperkte verstand, gevoel, ervaren. Er zit iets tussen wat het ‘licht’ van gene zijde moet verzachten, dempen, filteren, zodat wij het aankunnen. Een omfloerst morgenlicht in schemerige mist. We zouden meteen dood zijn als dat volle licht ons zou omstralen. God moet zich dus altijd beperken naar onze tijdelijkheid en beperktheid.

Dat is het mysterie waarin Hij zich hult, de tussenlaag, de bescherming. Een mysterie als paradox. Wij willen zo graag meer weten, meer zien. Wij willen altijd alles. Maar Hij beschermt ons juist.

Een van de momenten dat God zich op een bijzondere manier openbaart, is bij Mozes in de woestijn. De brandende braambos. Een beeld. Maar is dat God? Ja, ook dit is God. ‘De plaats waarop je staat is heilig’. En de naam van God wordt bekendgemaakt. ‘Ik ben’. Ook al zo’n niet theologisch te duiden aanduiding. Wat moet je hier nu mee? Inderdaad, de Gans Andere. Volkomen uniek. Onaantastbaar. Niet te kennen. En toch ….!

Een ander mooi beeld van God in de Bijbel vind ik als Hij met het volk Israel meereist, na de uittocht uit Egypte. De wolkkolom en de vuurkolom. De sjechina, prachtig woord. God hult zich in een wolk. Overdag ter verkoeling, ’s nachts ter verwarming. Hij is erbij. Hij waakt over je. Hij ziet je. Kent je. Op afroep beschikbaar. Zien wij Hem ook? In onze huidige tijd? Verduisterd door ons materialisme en egoïsme? Hebben wij Hem nog nodig ter verkoeling van onze hete hoofden, als verwarming van ons koude hart? Kijken wij nog wel eens omhoog? Met open of gesloten ogen?

Goed. We hebben gezien dat God zich openbaart. In de schepping. In het zenden van zijn Zoon. We hebben ook gezien dat de mens Hem kan ervaren. Soms. Als het komt. Als wij het zien. Maar er is iets wat hier nog bovenuit gaat. Want die paradox van openbaring en ervaring, transcendentie en immanentie, die is alleen te verbinden door een derde factor. Kennis en ervaring zijn niet genoeg om tot de kern van de Openbaring door te dringen.

Er is een nog groter Mysterie, waardoor de Brugfunctie van de komst van de Zoon van God, aanhechting, verbinding, connectie krijgt met ons kleine, nietige mensjes. Want God heeft iets gemaakt, God heeft iets gedaan, wij kunnen iets ervaren, maar God vraagt ook nadrukkelijk om een antwoord.

En hier komt het geloof om de hoek kijken. Geloof als daad van de mens. We vertrouwen ons met ons hele bestaan, ons complete bestaan, onze diepste ziel, toe aan de levende God, de Ik ben, de Opgestane Heer. Dat is niet te beredeneren. Het is genade, knielen, ontvangen, je hart en je handen uitstrekken, je richten naar je Schepper. Amen stamelen. Hoe dat gebeurt? Ja , daar zijn hele boeken over vol geschreven. En nog zijn we er niet uit. Wie ben ik dan om daar een antwoord op te vinden. Een allesomvattend antwoord. Ik blijf bescheiden. ‘De wind blaast waarheen hij wil.’ Laten we het daar maar op houden.

Die wind, die Ruach, die Geest, die is ook een goddelijke openbaring en ervaring tegelijk. Hij komt van boven. Werkt hier beneden. In mijn lijf, mijn lichaam, mijn geest. Mijn lichaam, een tempel van die Geest. Hoeveel mysteries wil je nog hebben? Hoeveel mysterie wil je nog ervaren?

Conclusie. Openbaring doet ervaren. Maar geloof is meer dan die beide, omdat het de verbindende factor vormt. En toch is er niets van mij bij. Omdat Hij het heeft gedaan. Mysterie in optima forma. De paradox, niet te verklaren. Alleen te aanvaarden. De God die ons zoekt, alleen te aanbidden. Hij is het die mij leven gaf. Hij is het die mij leven doet. Hij is het die mij eeuwig leven belooft.

Het is al met al een uitgebreid gedachtenbouwsel geworden, deze keer. Een abstract en concreet idee inéén. Nog niet eens uitgekristalliseerd. Nog niet eens alle losse eindjes afgehecht. Maar genoeg stof ter overdenking. Ter verdere doordenking. Voor wie het vatten wil …

1 opmerking:

  1. mijn inziens groeit transcendentie uit het immanente universum als voorbeeld visioenen die ontstaan na zintuigelijke ervaringen

    BeantwoordenVerwijderen