Hij schuifelt voetje voor voetje door het losse zand van de lege woordenwoestijn.
Hij is traag, tergend langzaam trekt zijn leven voorbij.
Alles gaat zoals het gaat, net als anders, maar toch ook weer heel anders.
Zijn lichaam wil niet, zijn geest is verward, zijn ziel uitgeblust.
Hij is moe.
Leeg.
Op.
Hij zoekt.
Blijft zoeken.
Hardnekkig.
Vasthoudend.
Hij vangt losse gedachten.
Sprokkelt ideeën.
Wacht op inspiratie.
Maar hij denkt en draait in een denkbeeldig kringetje rond.
Hij kan de woorden niet vinden om het vuur in te stollen.
Hij kan de zinnen niet binden tot zin en betekenis.
Het is dor en droog van binnen.
Een wildernis vol lucht en leegte.
Een kille kelder onder een uitgestrekte, grauwe hemel.
Hij sloft voort in de schemer van zijn geest.
In gedachten verzonken, in ideeën verdwaald.
Dag na dag na weer een zware nacht.
Rusteloos en nooit uitgerust.