Winter. Wat voor beeld hebben we daar bij? Sneeuw en ijs toch. Pret. Romantiek. Lekker binnen opwarmen na een lange tocht door een betoverd landschap.
Maar vanmiddag zag ik een ander beeld voor me en om me heen, tijdens een wandeling door het vlakke polderlandschap in een gedeelte van de Alblasserwaard.
Kale, kleurloze, drassige weilanden.
Eenzame bomen, met naar de hemel reikende takken.
Alle bladeren gevallen.
Alle bloemen verdwenen.
Mist en grijsheid.
Geen vlinders of libellen meer te vinden.
Zelfs de vogels hadden zich verstopt.
Op de duizenden ganzen na, maar zelfs die waren stil.
Alle kleur weggetrokken uit het landschap.
Een gure wind.
Stilte.
Geen zuivere, indrukwekkende stilte.
Maar een vochtige, narrige, benauwende stilte.
De zomer echt voorbij.
De zomer van zon en kleur en wolken en blauwe hemel, van bloei en groei, van groen en schoonheid, van vrolijke mensen, wandelend, fietsend.
Niets.
Geen mens te ontdekken.
Geen kleur te ontwaren.
Dor en doods het landschap.
Kaal.
Naakt.
Ontdaan van alle franje.
Overleven, daar draait het om voor de weinige dieren die er te zien waren.
De enkele vogel, de paar schapen, de koningsreigers, de buizerd.
Hier en daar wat pimpelmezen.
De waterkippen en de eenden.
De vele ganzen.
Stil zaten ze.
Verdwaasd.
Ineengedoken.
Saai.
Stil.
Te wachten. Maar waarop? De zomer? Dat duurt nog zo lang, zelfs de winter moet nog echt beginnen ...